Schenking aan kinderen
Ouders kunnen per jaar aan kinderen een bedrag schenken, waarover het kind geen schenkbelasting hoeft te betalen.
Voor 2011 is dit bedrag € 5.030,00 per kind. Aan een kind dat ouder is dan 18 jaar maar nog geen 35 jaar, kan éénmalig een groter bedrag vrij van schenkbelasting worden geschonken, in 2011 € 24.144,00. Dit kan ook nog als het eigen kind al 35 jaar of ouder is, maar een voor de schenkbelasting als partner geldende partner heeft van nog geen 35 jaar.
Deze grotere vrijstelling kan nog extra worden opgehoogd tot (in 2011) € 50.300,00 voor kort gezegd de aankoop, verbetering of verbouwing van een eigen woning van het kind of aflossing van de eigen-woning-hypotheek van het kind, alsmede voor het volgen van een zeer dure studie of opleiding. Er gelden wel aanvullende voorwaarden, onder andere dat van de schenking een notariële akte wordt opgemaakt. Informeer bij ons naar die voorwaarden!
Voor schenking aan anderen dan eigen kinderen is het vrije bedrag voor 2010 € 2.012,00 per jaar.
Als ouders geen contanten hebben om aan de kinderen te schenken, maar wel bijvoorbeeld een eigen huis met een behoorlijke overwaarde, dan kan men overwegen te schenken “op papier”. Dit houdt in dat ouders bij (notariële) akte eerst het bedrag schenken aan de kinderen, en het vervolgens meteen teruglenen. De ouders hebben dan een schuld aan de kinderen, de kinderen een vordering op de ouders, gecreëerd uit vrijgevigheid.
Alleen als over de schuld een rente van tenminste 6% is bedongen en de ouders betalen die ook daadwerkelijk jaarlijks aan de kinderen, is de schuld aftrekbaar voor de erfbelasting. Zonder rentebetaling is dat niet zo. Het is dus niet zinvol om deze schenking te doen als er geen overig vermogen (bijvoorbeeld een huis met overwaarde) tegenover staat.
De fiscale gevolgen van een schenking op papier zijn de volgende. De schuld aan de kinderen valt bij de ouders in box 3. De vordering op de ouders valt bij de kinderen eveneens in box 3. Het doen van een schenking op papier kost fiscaal dus nog maar heel weinig. De ouders krijgen de inkomsten uit het geschonken bedrag, maar hoeven geen forfaitaire belasting in box 3 te betalen. De ouders betalen een rente aan de kinderen, die wél de belasting in box 3 moeten betalen.
Als er wel voldoende inkomen is bij de ouders, maar geen grote bedragen aan liquide middelen, kan het heel aantrekkelijk zijn om dit soort schenkingen te doen. Nadeel is dat elk jaar dat ouders zulke schenkingen willen doen, steeds weer een akte nodig is. Het kan niet van tevoren voor zoveel jaar tegelijk.
Als u hierover meer wilt weten kunt u dat met de notaris bespreken.
Goede doelen
Een instelling kan vrijstelling van belasting over schenkingen en erfenissen krijgen als zij door de Belastingdienst als een zogenoemde algemeen nut beogende instelling (ANBI) is aangemerkt. In dat geval kunnen schenkers giften aan de instelling onder voorwaarden ook aftrekken voor de inkomstenbelasting. Verder gelden faciliteiten in de vennootschapsbelasting.
Voor een algemeen nut beogende instelling moeten de statutaire doelstelling en ook de feitelijke werkzaamheden een algemeen belang beogen. Algemeen belang staat hier in tegenstelling tot particulier belang. Het doel van de instelling in het algemeen belang kan beperkt zijn. Zo is gehandicaptenzorg of het restaureren van een kerk een algemeen belang, maar een beperkt algemeen belang. Een particulier belang is als de instelling ten doel heeft om de nakomelingen van de oprichter financieel te steunen. Het verschil kan soms subtiel zijn en daarvoor moet u de notaris raadplegen.
Om een instelling als algemeen nut beogende instelling te laten aanmerken moet deze aan bepaalde voorwaarden voldoen. Slechts die instellingen worden als algemeen nut beogende instelling aangemerkt, die als zodanig zijn aangewezen bij beschikking van de belastinginspecteur. In een besluit zijn daarbij nadere regels gegeven. Deze nadere regels zijn de volgende (de regels staan in de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, en zijn daarom erg formeel van aard):
Een kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of algemeen nut beogende instelling wordt door de belastinginspecteur aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling, indien en zolang:
- uit de regelgeving van de instelling en de feitelijke werkzaamheid blijkt dat de instelling geen winstoogmerk heeft;
- uit de regelgeving van de instelling en de feitelijke werkzaamheid blijkt dat de instelling het algemeen belang dient;
- uit de regelgeving van de instelling en de feiten blijkt dat een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon over het vermogen van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen; de belastinginspecteur kan, zonodig onder door hem te stellen voorwaarden, toestaan dat een steunstichting en de instelling of instellingen welke door deze stichting worden ondersteund, over en weer kunnen beschikken over elkaars vermogen als ware het eigen vermogen;
- de instelling niet meer vermogen aanhoudt dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van de doelstelling van de instelling;
- de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt, ter zake van de door hen voor de instelling verrichte werkzaamheden geen andere beloning ontvangen dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld;
- de instelling beschikt over een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de door de instelling te verrichten werkzaamheden, de wijze van werving van gelden, het beheer van het vermogen van de instelling en de besteding daarvan;
- de kosten van werving van gelden en de beheerkosten van de instelling in redelijke verhouding staan tot de bestedingen ten behoeve van het doel van de instelling;
- uit de regelgeving van de instelling blijkt dat bij opheffing van de instelling een batig liquidatiesaldo moet worden besteed ten behoeve van een instelling als bedoeld in artikel 6.33 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001, dan wel op enigerlei andere wijze waarmee het algemeen belang wordt gediend, en
- de administratie van de instelling zodanig is ingericht dat daaruit duidelijk blijkt:
de aard en omvang van de aan de afzonderlijke leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt, toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden;
- de aard en omvang van de kosten die door de instelling zijn gemaakt ten behoeve van de werving van gelden en het beheer van de instelling, alsmede de aard en omvang van de andere uitgaven van de instelling;
- de aard en omvang van de inkomsten van de instelling;
- de aard en omvang van het vermogen van de instelling.
