Nu ook 's avonds geopend op woensdag en donderdag!

Overdracht huis aan kinderen

Het kwam nogal eens voor dat ouders hun huis overdroegen aan de kinderen om erfbelasting te besparen en/of er voor te zorgen dat de waardestijging bij de kinderen trecht kwam.

Het was dan de bedoeling dat de ouders wel in het huis bleven wonen en dit:

  1. of huurden van de kinderen, dus een huursom betaalden;
  2. of gratis mochten bewonen (dat wil zeggen een zakelijk recht van gebruik en bewoning of een zakelijk recht van vruchtgebruik hadden).

De ouders konden de koopsom in één keer kwijtschelden, maar het was ook mogelijk dat de kinderen de koopsom schuldig bleven aan de ouders en dat de ouders elk jaar een gedeelte van de schuld kwijtscholden, daarbij eventueel gebruik makend van de jaarlijkse vrijstelling voor schenkingen aan kinderen.

Door wijziging van de belastingwetgeving is overdracht van het huis aan de kinderen eigenlijk niet meer aantrekkelijk. De enige optie die nog kan werken is het huis verkopen aan de kinderen en terughuren, maar de ouders moeten een relatief hoge huur (per jaar tenminste 6% van de waarde van het huis) aan de kinderen betalen. Mensen die in het verleden deze constructie hebben toegepast, moeten hun situatie zelfs door de notaris laten beoordelen en eventueel aanpassen, om te voorkomen dat er “ongelukken” gebeuren.

Erfbelasting

LET OP: alle hieronder genoemde bedragen en percentages gelden voor een overlijden in het jaar 2011.

Iedereen die erft van een overledene die op het moment van overlijden binnen het Rijk woonde, moet over de erfenis belasting betalen. Die belasting heet officieel: erfbelasting. Tot 1 januari 2010 heette dat “recht van successie”. Ook moet erfbelasting worden betaald als de overledene niet binnen het Rijk woonde, maar daar wel heeft gewoond en minder dan tien jaren vóór het overlijden buiten het Rijk is gaan wonen. Vaak moet dan wel in het buitenland een soortgelijke belasting betaald worden.

Er zijn echter uitzonderingen. Men hoeft geen erfbelasting te betalen als de verkrijging te klein is. In het officiële jargon heet het dan, dat de verkrijging onder een vrijstelling valt.

Tariefgroepen en tariefschijven

De erfbelasting heeft twee tariefgroepen en twee schijven. In welke tariefgroep de erfenis valt, hangt af van de familierelatie tussen de overledene en degene die erft. De twee schijven hangen samen met de hoogte van de verkrijging: hoe meer men erft, des te hoger is het percentage erfbelasting.

Tariefgroep 1: Echtgenoot of geregistreerd partner en (klein)kinderen (en onder voorwaarden een samenwoner). Bij een verkrijging tot € 118.708,00 betalen zij 10%. Daarboven ligt de tweede tariefschijf van 20%.  Kleinkinderen betalen het tarief van kinderen, verhoogd met 60% van dat tarief (dus 16% over de eerste en 32% over de tweede schijf).

Tariefgroep 2: Hieronder vallen alle overige verkrijgers. Hun verkrijgingen worden tot € 118.708,00 belast met 30%, daarboven met 40%.

Vrijstellingen

Belangrijk zijn de al genoemde vrijstellingen. Een echtgenoot of geregistreerd partner (en onder voorwaarden ook een samenwoner in een twee-relatie) heeft een vrijstelling van € 603.600,00. Daarop wordt wel de waarde van een verkregen nabestaandenpensioen in mindering gebracht, maar er blijft altijd een vrijstelling van minimaal € 155.930,00 over. De langstlevende echtgenoot of geregistreerd partner valt dus niet zo snel onder de successiebelasting, maar vooral bij een jongere langstlevende moet wel worden gelet op de vermindering in verband met het nabestaandenpensioen!

Samenwoners in een twee-relatie vallen slechts onder voorwaarden in het lage tarief voor echtgenoten en onder de hoge vrijstelling voor echtgenoten. Het komt er op neer, dat men tenminste zes maanden een notarieel samenlevingscontract moet hebben en tenminste zes maanden bij de gemeente op hetzelfde adres moet staan ingeschreven. Zonder notarieel samenlevingscontract geldt de vrijstelling voor samenwoners alleen, als zij  onafgebroken gedurende tenminste vijf jaren bij de gemeente op hetzelfde adres staan ingeschreven.

Naast de vrijstelling voor echtgenoten zijn er andere vrijstellingen, onder andere voor kinderen en kleinkinderen. Die hebben een vrijstelling van € 19.114,00. Kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en door geestelijke of lichamelijke gebreken naar verwachting de eerstkomende drie jaren niet in staat zijn met arbeid die voor hun kracht berekend is tenminste de helft te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde personen van dezelfde leeftijd kunnen verdienen, hebben een hogere vrijstelling van € 57.342,00. Ouders hebben een vrijstelling van € 45.270,00 en er is een algemene vrijstelling van € 2.012,00.

Voor instellingen met een goed doel die door de Belastingdienst als zodanig zijn aangemerkt (de zogenaamde Algemeen Nut Beogende Instellingen oftewel ANBI’s), geldt een algehele vrijstelling.

Aangifte en betaling

Meestal stuurt de Belastingdienst na een maand of vier een aangiftebiljet naar een van de erfgenamen. In de aangifte moeten de bezittingen en schulden van de overledene naar de toestand op de sterfdatum worden opgenomen. Als bijvoorbeeld de beurs zakt moet erfbelasting worden betaald over een hogere waarde (per de sterfdatum) dan er misschien later is. Het is dus belangrijk om tijdig te reserveren en eventueel effecten tijdig te verkopen.

Voor iedere erfgenaam en iedere legataris (iemand die geen aandeel in de nalatenschap krijgt, maar bijvoorbeeld een in een testament genoemd geldbedrag of aangewezen zaak) wordt in de aangifte vermeld wat, in geld uitgedrukt, zijn verkrijging waard is.

De aangifte voor de erfbelasting moet in de regel acht maanden na het overlijden bij de Belastingdienst worden ingediend. De aanslag volgt dan meestal ongeveer twee maanden later. Nog een maand later moet de erfbelasting worden betaald. Tussen het moment van overlijden en het betalen van de erfbelasting zit dus meestal bijna een jaar.

Als alle gegevens niet tijdig beschikbaar zijn om de aangifte te kunnen doen, is uitstel mogelijk. Uitstel moet aangevraagd worden en wordt vrijwel altijd gegeven. Wel kan een voorlopige aanslag worden opgelegd.

Sommige aangiften voor de erfbelasting kunnen behoorlijk ingewikkeld zijn. Vooral wanneer een onderneming deel uitmaakt van de nalatenschap, vereist de aangifte heel wat denk- en rekenwerk.

De notaris is van oudsher specialist op het gebied van de erfbelasting.

Recht van overgang (afgeschaft)

Een bijzondere “soort” erfbelasting was het recht van overgang. Recht van overgang kon overigens niet alleen bij overlijden, maar ook bij een schenking spelen.

Het recht van overgang was een ingewikkelde materie. Hieronder zijn slechts de hoofdlijnen weegegeven; het overzicht is niet volledig.

Recht van overgang moest worden betaald over wat krachtens erfrecht (of schenking) wordt verkregen van iemand, die ten tijde van het overlijden (of de schenking) niet binnen het Rijk woonde en niet al met erfbelasting werd belast. Recht van overgang werd echter doorgaans alleen geheven over zogenaamde binnenlandse bezittingen minus binnenlandse schulden.

Binnenlandse bezittingen zijn bezittingen die behoren tot een Nederlandse onderneming en (niet tot een dergelijke onderneming behorende) in Nederland gelegen onroerend goed, soms ook rechten op een aandeel in de winst van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd.

Binnenlandse schulden zijn tot een Nederlandse onderneming behorende schulden, alsmede schulden waarvoor hypotheek is verstrekt op een in Nederland gelegen onroerend goed (voorzover deze laatste schulden zijn aangegaan voor de financiering van de verkrijging, de verbetering of het onderhoud van dat onroerend goed).

Het recht van overgang is op 1 januari 2010 afgeschaft.