Nu ook 's avonds geopend op woensdag en donderdag!

Erfbelasting

LET OP: alle hieronder genoemde bedragen en percentages gelden voor een overlijden in het jaar 2011.

Iedereen die erft van een overledene die op het moment van overlijden binnen het Rijk woonde, moet over de erfenis belasting betalen. Die belasting heet officieel: erfbelasting. Tot 1 januari 2010 heette dat “recht van successie”. Ook moet erfbelasting worden betaald als de overledene niet binnen het Rijk woonde, maar daar wel heeft gewoond en minder dan tien jaren vóór het overlijden buiten het Rijk is gaan wonen. Vaak moet dan wel in het buitenland een soortgelijke belasting betaald worden.

Er zijn echter uitzonderingen. Men hoeft geen erfbelasting te betalen als de verkrijging te klein is. In het officiële jargon heet het dan, dat de verkrijging onder een vrijstelling valt.

Tariefgroepen en tariefschijven

De erfbelasting heeft twee tariefgroepen en twee schijven. In welke tariefgroep de erfenis valt, hangt af van de familierelatie tussen de overledene en degene die erft. De twee schijven hangen samen met de hoogte van de verkrijging: hoe meer men erft, des te hoger is het percentage erfbelasting.

Tariefgroep 1: Echtgenoot of geregistreerd partner en (klein)kinderen (en onder voorwaarden een samenwoner). Bij een verkrijging tot € 118.708,00 betalen zij 10%. Daarboven ligt de tweede tariefschijf van 20%.  Kleinkinderen betalen het tarief van kinderen, verhoogd met 60% van dat tarief (dus 16% over de eerste en 32% over de tweede schijf).

Tariefgroep 2: Hieronder vallen alle overige verkrijgers. Hun verkrijgingen worden tot € 118.708,00 belast met 30%, daarboven met 40%.

Vrijstellingen

Belangrijk zijn de al genoemde vrijstellingen. Een echtgenoot of geregistreerd partner (en onder voorwaarden ook een samenwoner in een twee-relatie) heeft een vrijstelling van € 603.600,00. Daarop wordt wel de waarde van een verkregen nabestaandenpensioen in mindering gebracht, maar er blijft altijd een vrijstelling van minimaal € 155.930,00 over. De langstlevende echtgenoot of geregistreerd partner valt dus niet zo snel onder de successiebelasting, maar vooral bij een jongere langstlevende moet wel worden gelet op de vermindering in verband met het nabestaandenpensioen!

Samenwoners in een twee-relatie vallen slechts onder voorwaarden in het lage tarief voor echtgenoten en onder de hoge vrijstelling voor echtgenoten. Het komt er op neer, dat men tenminste zes maanden een notarieel samenlevingscontract moet hebben en tenminste zes maanden bij de gemeente op hetzelfde adres moet staan ingeschreven. Zonder notarieel samenlevingscontract geldt de vrijstelling voor samenwoners alleen, als zij  onafgebroken gedurende tenminste vijf jaren bij de gemeente op hetzelfde adres staan ingeschreven.

Naast de vrijstelling voor echtgenoten zijn er andere vrijstellingen, onder andere voor kinderen en kleinkinderen. Die hebben een vrijstelling van € 19.114,00. Kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en door geestelijke of lichamelijke gebreken naar verwachting de eerstkomende drie jaren niet in staat zijn met arbeid die voor hun kracht berekend is tenminste de helft te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde personen van dezelfde leeftijd kunnen verdienen, hebben een hogere vrijstelling van € 57.342,00. Ouders hebben een vrijstelling van € 45.270,00 en er is een algemene vrijstelling van € 2.012,00.

Voor instellingen met een goed doel die door de Belastingdienst als zodanig zijn aangemerkt (de zogenaamde Algemeen Nut Beogende Instellingen oftewel ANBI’s), geldt een algehele vrijstelling.

Aangifte en betaling

Meestal stuurt de Belastingdienst na een maand of vier een aangiftebiljet naar een van de erfgenamen. In de aangifte moeten de bezittingen en schulden van de overledene naar de toestand op de sterfdatum worden opgenomen. Als bijvoorbeeld de beurs zakt moet erfbelasting worden betaald over een hogere waarde (per de sterfdatum) dan er misschien later is. Het is dus belangrijk om tijdig te reserveren en eventueel effecten tijdig te verkopen.

Voor iedere erfgenaam en iedere legataris (iemand die geen aandeel in de nalatenschap krijgt, maar bijvoorbeeld een in een testament genoemd geldbedrag of aangewezen zaak) wordt in de aangifte vermeld wat, in geld uitgedrukt, zijn verkrijging waard is.

De aangifte voor de erfbelasting moet in de regel acht maanden na het overlijden bij de Belastingdienst worden ingediend. De aanslag volgt dan meestal ongeveer twee maanden later. Nog een maand later moet de erfbelasting worden betaald. Tussen het moment van overlijden en het betalen van de erfbelasting zit dus meestal bijna een jaar.

Als alle gegevens niet tijdig beschikbaar zijn om de aangifte te kunnen doen, is uitstel mogelijk. Uitstel moet aangevraagd worden en wordt vrijwel altijd gegeven. Wel kan een voorlopige aanslag worden opgelegd.

Sommige aangiften voor de erfbelasting kunnen behoorlijk ingewikkeld zijn. Vooral wanneer een onderneming deel uitmaakt van de nalatenschap, vereist de aangifte heel wat denk- en rekenwerk.

De notaris is van oudsher specialist op het gebied van de erfbelasting.

Recht van overgang (afgeschaft)

Een bijzondere “soort” erfbelasting was het recht van overgang. Recht van overgang kon overigens niet alleen bij overlijden, maar ook bij een schenking spelen.

Het recht van overgang was een ingewikkelde materie. Hieronder zijn slechts de hoofdlijnen weegegeven; het overzicht is niet volledig.

Recht van overgang moest worden betaald over wat krachtens erfrecht (of schenking) wordt verkregen van iemand, die ten tijde van het overlijden (of de schenking) niet binnen het Rijk woonde en niet al met erfbelasting werd belast. Recht van overgang werd echter doorgaans alleen geheven over zogenaamde binnenlandse bezittingen minus binnenlandse schulden.

Binnenlandse bezittingen zijn bezittingen die behoren tot een Nederlandse onderneming en (niet tot een dergelijke onderneming behorende) in Nederland gelegen onroerend goed, soms ook rechten op een aandeel in de winst van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd.

Binnenlandse schulden zijn tot een Nederlandse onderneming behorende schulden, alsmede schulden waarvoor hypotheek is verstrekt op een in Nederland gelegen onroerend goed (voorzover deze laatste schulden zijn aangegaan voor de financiering van de verkrijging, de verbetering of het onderhoud van dat onroerend goed).

Het recht van overgang is op 1 januari 2010 afgeschaft.

Nieuw erfrecht

Na ruim 50 jaar studie, overleg en strijd is op 1 januari 2003 het nieuwe erfrecht ingevoerd. De belangrijkste wijziging in het nieuwe erfrecht is de volgende: bij gehuwde ouders (met gehuwden worden gelijk gesteld geregistreerde partners) met kinderen gaan, na het overlijden van de eerststervende ouder, alle goederen van rechtswege naar de langstlevende. De kinderen ontvangen hun erfdeel in de vorm van een geldvordering op de langstlevende ouder, maar kunnen deze geldvordering in beginsel pas opeisen als de langstlevende ouder zelf overlijdt of failliet gaat (of de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op die langstlevende ouder van toepassing wordt verklaard). Dit systeem heet: de wettelijke verdeling.

De langstlevende ouder is er dus tegen beschermd, dat kinderen hun erfdeel opeisen. Hiervoor was tot 1 januari 2003 het maken van een testament nodig.

Wie een belastingtechnisch of vermogensrechtelijk voordeliger testament wil maken maken, of wil dat de vordering van de kinderen ook opeisbaar wordt bij hertrouwen van de langstlevende of bijvoorbeeld wanneer deze naar een verzorgingstehuis gaat, of de regeling van de wilsrechten opzij wil zetten of beperken, dan is een testament nodig.

Voorts gaat de legitieme portie van kinderen (het deel waar kinderen altijd “recht” op hebben, ook al zijn zij onterfd) in alle gevallen de helft van het normale erfdeel bedragen. Een onterfd kind, als het zijn legitieme opeist, wordt daardoor niet mede-erfgenaam maar krijgt slechts een vordering in geld op de erfgenamen. Hij doet dus niet mee bij de afwikkeling van de nalatenschap en kan niet dwarsliggen.

Als een echtgenoot bij testament wordt onterfd, komt deze als langstlevende toch niet met lege handen te staan. De wet kent hem/haar een aantal rechten toe:

  • voortzetting van gebruik van de woning en inboedel gedurende zes maanden;
  • aanspraak op vestiging van een vruchtgebruik op de woning en inboedel (deze aanspraak moet binnen zes maanden na het overlijden worden uitgeoefend);
  • aanspraak op vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap, voorzover daaraan behoefte bestaat (deze aanspraak moet binnen een jaar na het overlijden worden uitgeoefend).
    Deze rechten noemt men “andere wettelijke rechten”.

De nieuwe wet kent nog meer “andere wettelijke rechten”, onder andere:

  • die van minderjarige kinderen op een som (geldbedrag) ineens, voor zover nodig ter verzorging en opvoeding;
  • die van meerderjarige kinderen tot 21 jaar op een som ineens, voor zover nodig voor levensonderhoud en studie;
  • die van kinderen op een som ineens als billijke vergoeding voor het zonder passende beloning verrichten van arbeid in de huishouding van de erflater of in het door hem uitgeoefende bedrijf of beroep.

Ook een executeursbenoeming is in het nieuwe erfrecht gemakkelijker. Onder het oude recht had de benoeming van een executeur geen effect als een kind niet in die benoeming berustte. Deze executeursbenoeming was een last op de legitieme portie van het kind, welke door het kind niet geaccepteerd behoefde te worden.

Onder het nieuwe erfrecht kunt u rustig een executeur benoemen, kinderen hebben dat maar te accepteren.

Onder het oude recht was het verder niet mogelijk een testament te maken voor ongetrouwde ouders met kinderen, dat de langstlevende echt goed beschermde. Het nieuwe recht biedt wel die mogelijkheid. Men kan bijvoorbeeld de samenwonende partner tot enig erfgenaam benoemen, onder de last om aan de kinderen hun erfdelen schuldig te blijven. Daaraan wordt dan de bepaling gekoppeld dat de kinderen hun erfdelen pas kunnen opeisen na overlijden (of faillissement of schuldsanering) van de partner.

Een dergelijk testament kan men alleen maken als de partner “levensgezel” is. Wil men als levensgezel aangemerkt kunnen worden, dan moet er een gemeenschappelijke huishouding zijn en een notariële samenlevingsovereenkomst zijn gesloten. Voor ongehuwde ouders met kinderen is dus de combinatie van testamenten en een notariële samenlevingsovereenkomst van groot belang.

Uit het voorgaande lijkt de conclusie getrokken te kunnen worden dat, het na de invoering van het nieuwe erfrecht niet meer zo nodig is om een testament te maken. Dat is echter niet het geval. Door de toegenomen welvaart en het grotere vermogen dat veel (echt)paren hebben kan het al heel snel de moeite lonen om een goed estate-planningtestament te maken.

U kunt voor informatie over het erfrecht en nalatenschappen de brochure Nieuw erfrecht 2003 downloaden. Verdere informatie vindt u in de download erfrecht algemeen.